NL: herhalenSynoniemen: nazeggen, overdoen, repeteren, voorstellen, vertonen, spelen, presenteren, indienen, doornemen, aanbieden, napraten, nabouwen, echoën, oefenen
DE: herhalen (nazeggen): wiederholen, nachsprechen, erhallen, nachpladdern, hallen, echoen, einüben, erneuern, schallen, ertönen, nachsagen, widerhallen, nachplappern, widerschallen, nachher noch ein wenig plaudern
EN: herhalen (nazeggen): repeat, parrot, echo, say after
ES: herhalen (nazeggen): repetir, hacer eco, reiterar, repasar, repercutir, resonar
FR: herhalen (nazeggen): répéter, redire, retentir, résonner, se faire l'echo de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
herhaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik herhaal jij herhaalt hij herhaalt wij herhalen jullie herhalen zij herhalen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb herhaald jij hebt herhaald hij heeft herhaald wij hebben herhaald jullie hebben herhaald zij hebben herhaald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik herhaalde jij herhaalde hij herhaalde wij herhaalden jullie herhaalden zij herhaalden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had herhaald jij had herhaald hij had herhaald wij hadden herhaald jullie hadden herhaald zij hadden herhaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal herhalen jij zult herhalen hij zal herhalen wij zullen herhalen jullie zullen herhalen zij zullen herhalen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal herhaald hebben jij zult herhaald hebben hij zal herhaald hebben wij zullen herhaald hebben jullie zullen herhaald hebben zij zullen herhaald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou herhalen jij zou herhalen hij zou herhalen wij zouden herhalen jullie zouden herhalen zij zouden herhalen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou herhaald hebben jij zou herhaald hebben hij zou herhaald hebben wij zouden herhaald hebben jullie zouden herhaald hebben zij zouden herhaald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
herhaal
|