NL: herbergen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geherbergd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik herberg jij herbergt hij herbergt wij herbergen jullie herbergen zij herbergen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geherbergd jij hebt geherbergd hij heeft geherbergd wij hebben geherbergd jullie hebben geherbergd zij hebben geherbergd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik herbergde jij herbergde hij herbergde wij herbergden jullie herbergden zij herbergden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geherbergd jij had geherbergd hij had geherbergd wij hadden geherbergd jullie hadden geherbergd zij hadden geherbergd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal herbergen jij zult herbergen hij zal herbergen wij zullen herbergen jullie zullen herbergen zij zullen herbergen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geherbergd hebben jij zult geherbergd hebben hij zal geherbergd hebben wij zullen geherbergd hebben jullie zullen geherbergd hebben zij zullen geherbergd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou herbergen jij zou herbergen hij zou herbergen wij zouden herbergen jullie zouden herbergen zij zouden herbergen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geherbergd hebben jij zou geherbergd hebben hij zou geherbergd hebben wij zouden geherbergd hebben jullie zouden geherbergd hebben zij zouden geherbergd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
herberg
|
DE: herbergen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geherbergt herbergend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich herberge du herbergst er herbergt wir herbergen ihr herbergt sie; Sie herbergen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geherbergt du hast geherbergt er hat geherbergt wir haben geherbergt ihr habt geherbergt sie; Sie haben geherbergt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich herbergte du herbergtest er herbergte wir herbergten ihr herbergtet sie; Sie herbergten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geherbergt du hattest geherbergt er hatte geherbergt wir hatten geherbergt ihr hattet geherbergt sie; Sie hatten geherbergt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde herbergen du wirst herbergen er wird herbergen wir werden herbergen ihr werdet herbergen sie; Sie werden herbergen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geherbergt haben du wirst geherbergt haben er wird geherbergt haben wir werden geherbergt haben ihr werdet geherbergt haben sie; Sie werden geherbergt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich herberge du herbergest er herberge wir herbergen ihr herberget sie; Sie herbergen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geherbergt du habest geherbergt er habe geherbergt wir haben geherbergt ihr habet geherbergt sie; Sie haben geherbergt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich herbergte du herbergtest er herbergte wir herbergten ihr herbergtet sie; Sie herbergten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geherbergt du hättest geherbergt er hätte geherbergt wir hätten geherbergt ihr hättet geherbergt sie; Sie hätten geherbergt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde herbergen du würdest herbergen er würde herbergen wir würden herbergen ihr würdet herbergen sie; Sie würden herbergen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geherbergt haben du würdest geherbergt haben er würde geherbergt haben wir würden geherbergt haben ihr würdet geherbergt haben sie; Sie würden geherbergt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du herberge
|