Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

heiligen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: heiligen

NL: heiligen
DE: weihen, konsekrieren, salben, segnen, ölen

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
geheiligd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik heilig
jij heiligt
hij heiligt
wij heiligen
jullie heiligen
zij heiligen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb geheiligd
jij hebt geheiligd
hij heeft geheiligd
wij hebben geheiligd
jullie hebben geheiligd
zij hebben geheiligd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik heiligde
jij heiligde
hij heiligde
wij heiligden
jullie heiligden
zij heiligden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had geheiligd
jij had geheiligd
hij had geheiligd
wij hadden geheiligd
jullie hadden geheiligd
zij hadden geheiligd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal heiligen
jij zult heiligen
hij zal heiligen
wij zullen heiligen
jullie zullen heiligen
zij zullen heiligen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal geheiligd hebben
jij zult geheiligd hebben
hij zal geheiligd hebben
wij zullen geheiligd hebben
jullie zullen geheiligd hebben
zij zullen geheiligd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou heiligen
jij zou heiligen
hij zou heiligen
wij zouden heiligen
jullie zouden heiligen
zij zouden heiligen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou geheiligd hebben
jij zou geheiligd hebben
hij zou geheiligd hebben
wij zouden geheiligd hebben
jullie zouden geheiligd hebben
zij zouden geheiligd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
heilig


DE: heiligen
Synoniemen: weihen, konsekrieren, salben, segnen, ölen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
heiligget
heiligend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich e heilig
du st heilig
er t heilig
wir en heilig
ihr t heilig
sie; Sie en heilig
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich bin heiligget
du hast heiligget
er hat heiligget
wir haben heiligget
ihr habt heiligget
sie; Sie haben heiligget
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich te heilig
du test heilig
er te heilig
wir ten heilig
ihr tet heilig
sie; Sie ten heilig
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich war heiligget
du hattest heiligget
er hatte heiligget
wir hatten heiligget
ihr hattet heiligget
sie; Sie hatten heiligget
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde heiligen
du wirst heiligen
er wird heiligen
wir werden heiligen
ihr werdet heiligen
sie; Sie werden heiligen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde heiligget sein
du wirst heiligget haben
er wird heiligget haben
wir werden heiligget haben
ihr werdet heiligget haben
sie; Sie werden heiligget haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich e heilig
du est heilig
er e heilig
wir en heilig
ihr et heilig
sie; Sie en heilig
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich sei heiligget
du habest heiligget
er habe heiligget
wir haben heiligget
ihr habet heiligget
sie; Sie haben heiligget
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich te heilig
du test heilig
er te heilig
wir ten heilig
ihr tet heilig
sie; Sie ten heilig
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte heiligget
du hättest heiligget
er hätte heiligget
wir hätten heiligget
ihr hättet heiligget
sie; Sie hätten heiligget
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde heiligen
du würdest heiligen
er würde heiligen
wir würden heiligen
ihr würdet heiligen
sie; Sie würden heiligen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde heiligget haben
du würdest heiligget haben
er würde heiligget haben
wir würden heiligget haben
ihr würdet heiligget haben
sie; Sie würden heiligget haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du e heilig

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/heiligen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English