NL: heiligenDE: weihen, konsekrieren, salben, segnen, ölen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geheiligd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik heilig jij heiligt hij heiligt wij heiligen jullie heiligen zij heiligen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geheiligd jij hebt geheiligd hij heeft geheiligd wij hebben geheiligd jullie hebben geheiligd zij hebben geheiligd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik heiligde jij heiligde hij heiligde wij heiligden jullie heiligden zij heiligden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geheiligd jij had geheiligd hij had geheiligd wij hadden geheiligd jullie hadden geheiligd zij hadden geheiligd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal heiligen jij zult heiligen hij zal heiligen wij zullen heiligen jullie zullen heiligen zij zullen heiligen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geheiligd hebben jij zult geheiligd hebben hij zal geheiligd hebben wij zullen geheiligd hebben jullie zullen geheiligd hebben zij zullen geheiligd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou heiligen jij zou heiligen hij zou heiligen wij zouden heiligen jullie zouden heiligen zij zouden heiligen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geheiligd hebben jij zou geheiligd hebben hij zou geheiligd hebben wij zouden geheiligd hebben jullie zouden geheiligd hebben zij zouden geheiligd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
heilig
|
DE: heiligenSynoniemen: weihen, konsekrieren, salben, segnen, ölen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
heiligget heiligend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich e heilig du st heilig er t heilig wir en heilig ihr t heilig sie; Sie en heilig
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin heiligget du hast heiligget er hat heiligget wir haben heiligget ihr habt heiligget sie; Sie haben heiligget
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich te heilig du test heilig er te heilig wir ten heilig ihr tet heilig sie; Sie ten heilig
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war heiligget du hattest heiligget er hatte heiligget wir hatten heiligget ihr hattet heiligget sie; Sie hatten heiligget
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde heiligen du wirst heiligen er wird heiligen wir werden heiligen ihr werdet heiligen sie; Sie werden heiligen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde heiligget sein du wirst heiligget haben er wird heiligget haben wir werden heiligget haben ihr werdet heiligget haben sie; Sie werden heiligget haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich e heilig du est heilig er e heilig wir en heilig ihr et heilig sie; Sie en heilig
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei heiligget du habest heiligget er habe heiligget wir haben heiligget ihr habet heiligget sie; Sie haben heiligget
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich te heilig du test heilig er te heilig wir ten heilig ihr tet heilig sie; Sie ten heilig
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte heiligget du hättest heiligget er hätte heiligget wir hätten heiligget ihr hättet heiligget sie; Sie hätten heiligget
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde heiligen du würdest heiligen er würde heiligen wir würden heiligen ihr würdet heiligen sie; Sie würden heiligen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde heiligget haben du würdest heiligget haben er würde heiligget haben wir würden heiligget haben ihr würdet heiligget haben sie; Sie würden heiligget haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du e heilig
|