NL: heienDE: rammen, auspfählen, schlagen, fundieren, einrammen, einhämmern
EN: drive piles, ram, drive
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geheid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hei jij heit hij heit wij heien jullie heien zij heien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geheid jij hebt geheid hij heeft geheid wij hebben geheid jullie hebben geheid zij hebben geheid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik heide jij heide hij heide wij heiden jullie heiden zij heiden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geheid jij had geheid hij had geheid wij hadden geheid jullie hadden geheid zij hadden geheid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal heien jij zult heien hij zal heien wij zullen heien jullie zullen heien zij zullen heien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geheid hebben jij zult geheid hebben hij zal geheid hebben wij zullen geheid hebben jullie zullen geheid hebben zij zullen geheid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou heien jij zou heien hij zou heien wij zouden heien jullie zouden heien zij zouden heien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geheid hebben jij zou geheid hebben hij zou geheid hebben wij zouden geheid hebben jullie zouden geheid hebben zij zouden geheid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hei
|