NL: hechtenSynoniemen: aanhechten, binden, gehecht zijn, houden, toekennen, vastlijmen, vastmaken, vastnaaien, bevestigen, vastplakken, vasthechten, opplakken, lijmen
DE: klammern, heften, anheften, festheften
EN: attach, fasten, fix
ES: pegar, fijar, atar
FR: attacher, fixer, rattacher, assujettir, caler
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gehecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hecht jij hecht hij hecht wij hechten jullie hechten zij hechten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gehecht jij hebt gehecht hij heeft gehecht wij hebben gehecht jullie hebben gehecht zij hebben gehecht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hechtte jij hechtte hij hechtte wij hechtten jullie hechtten zij hechtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gehecht jij had gehecht hij had gehecht wij hadden gehecht jullie hadden gehecht zij hadden gehecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal hechten jij zult hechten hij zal hechten wij zullen hechten jullie zullen hechten zij zullen hechten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gehecht hebben jij zult gehecht hebben hij zal gehecht hebben wij zullen gehecht hebben jullie zullen gehecht hebben zij zullen gehecht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou hechten jij zou hechten hij zou hechten wij zouden hechten jullie zouden hechten zij zouden hechten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gehecht hebben jij zou gehecht hebben hij zou gehecht hebben wij zouden gehecht hebben jullie zouden gehecht hebben zij zouden gehecht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hecht
|