Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

hasten vervoegen




DE: hasten

EN: to hasten
Synoniemen: rush, hurry up, hasten, hurry

NL: zich haasten, snellen, opschieten, jagen, spoeden, vliegen, jachten, jakkeren, zich spoeden, ijlen, reppen
Gerund
De Gerund is een ing-vorm die zelfstandig gebruikt kan worden.
hastening
Present simple (ott)
Tegenwoordige tijd zonder ing-vorm.
I hasten
you hasten
he hastens
we hasten
you hasten
they hasten
Present perfect (vtt)
Have/has + voltooid deelwoord / voltooid tegenwoordige tijd.
I have hastened
you have hastened
he has hastened
we have hastened
you have hastened
they have hastened
Past Simple (ovt)
Verleden tijd zonder �ing vorm
I hastened
you hastened
he hastened
we hastened
you hastened
they hastened
Past perfect (vvt)
Had + voltooid deelwoord / voltooid verleden tijd
I had hastened
you had hastened
he had hastened
we had hastened
you had hastened
they had hastened
Present future (ottt)
Toekomst. Shall / Will + hele werkwoord
I will hasten
you will hasten
he will hasten
we will hasten
you will hasten
they will hasten
Present future perfect (vttt)
Shall / Will + have + voltooid deelwoord. Het wordt gebruikt om aan te geven dat iets is afgerond op een nader tijdstip in de toekomst.
I will have hastened
you will have hastened
he will have hastened
we will have hastened
you will have hastened
they will have hastened
Past future (ovtt)
Altijd gevormd door: should/would + inf. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
I would hasten
you would hasten
he would hasten
we would hasten
you would hasten
they would hasten
Past future perfect (vvtt)
Altijd gevormd door: should/would + have + volt. dw. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
I would have hastened
you would have hastened
he would have hastened
we would have hastened
you would have hastened
they would have hastened


DE: hasten
NL: zich haasten, snellen, opschieten, jagen, spoeden, vliegen, jachten, jakkeren, zich spoeden, ijlen, reppen
EN: rush, hurry up, hasten, hurry
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gehastet
hastend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich haste
du hastest
er hastet
wir hasten
ihr hastet
sie; Sie hasten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gehastet
du hast gehastet
er hat gehastet
wir haben gehastet
ihr habt gehastet
sie; Sie haben gehastet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich hastete
du hastetest
er hastete
wir hasteten
ihr hastetet
sie; Sie hasteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gehastet
du hattest gehastet
er hatte gehastet
wir hatten gehastet
ihr hattet gehastet
sie; Sie hatten gehastet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde hasten
du wirst hasten
er wird hasten
wir werden hasten
ihr werdet hasten
sie; Sie werden hasten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gehastet haben
du wirst gehastet haben
er wird gehastet haben
wir werden gehastet haben
ihr werdet gehastet haben
sie; Sie werden gehastet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich haste
du hastest
er haste
wir hasten
ihr hastet
sie; Sie hasten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gehastet
du habest gehastet
er habe gehastet
wir haben gehastet
ihr habet gehastet
sie; Sie haben gehastet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hastete
du hastetest
er hastete
wir hasteten
ihr hastetet
sie; Sie hasteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gehastet
du hättest gehastet
er hätte gehastet
wir hätten gehastet
ihr hättet gehastet
sie; Sie hätten gehastet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde hasten
du würdest hasten
er würde hasten
wir würden hasten
ihr würdet hasten
sie; Sie würden hasten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gehastet haben
du würdest gehastet haben
er würde gehastet haben
wir würden gehastet haben
ihr würdet gehastet haben
sie; Sie würden gehastet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du haste

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/hasten

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald