NL: harmoniërenDE: übereinstimmen, aufeinander abgestimmt sein, zueinander passen, zusammenpassen, auskommen mit, sich stehen mit, sich verstehen mit, sich vertragen, zurechtkommen mit
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geharmonieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik harmonieer jij harmonieert hij harmonieert wij harmoniëren jullie harmoniëren zij harmoniëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geharmonieerd jij hebt geharmonieerd hij heeft geharmonieerd wij hebben geharmonieerd jullie hebben geharmonieerd zij hebben geharmonieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik harmonieerde jij harmonieerde hij harmonieerde wij harmonieerden jullie harmonieerden zij harmonieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geharmonieerd jij had geharmonieerd hij had geharmonieerd wij hadden geharmonieerd jullie hadden geharmonieerd zij hadden geharmonieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal harmoniëren jij zult harmoniëren hij zal harmoniëren wij zullen harmoniëren jullie zullen harmoniëren zij zullen harmoniëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geharmonieerd hebben jij zult geharmonieerd hebben hij zal geharmonieerd hebben wij zullen geharmonieerd hebben jullie zullen geharmonieerd hebben zij zullen geharmonieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou harmoniëren jij zou harmoniëren hij zou harmoniëren wij zouden harmoniëren jullie zouden harmoniëren zij zouden harmoniëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geharmonieerd hebben jij zou geharmonieerd hebben hij zou geharmonieerd hebben wij zouden geharmonieerd hebben jullie zouden geharmonieerd hebben zij zouden geharmonieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
harmonieer
|
DE: harmonierenSynoniemen: übereinstimmen, aufeinander abgestimmt sein, zueinander passen, zusammenpassen, auskommen mit, sich stehen mit, sich verstehen mit, sich vertragen, zurechtkommen mit
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
harmoniert harmonierend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich harmoniere du harmonierst er harmoniert wir harmonieren ihr harmoniert sie; Sie harmonieren
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe harmoniert du hast harmoniert er hat harmoniert wir haben harmoniert ihr habt harmoniert sie; Sie haben harmoniert
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich harmonierte du harmoniertest er harmonierte wir harmonierten ihr harmoniertet sie; Sie harmonierten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte harmoniert du hattest harmoniert er hatte harmoniert wir hatten harmoniert ihr hattet harmoniert sie; Sie hatten harmoniert
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde harmonieren du wirst harmonieren er wird harmonieren wir werden harmonieren ihr werdet harmonieren sie; Sie werden harmonieren
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde harmoniert haben du wirst harmoniert haben er wird harmoniert haben wir werden harmoniert haben ihr werdet harmoniert haben sie; Sie werden harmoniert haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich harmoniere du harmonierest er harmoniere wir harmonieren ihr harmonieret sie; Sie harmonieren
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe harmoniert du habest harmoniert er habe harmoniert wir haben harmoniert ihr habet harmoniert sie; Sie haben harmoniert
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich harmonierte du harmoniertest er harmonierte wir harmonierten ihr harmoniertet sie; Sie harmonierten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte harmoniert du hättest harmoniert er hätte harmoniert wir hätten harmoniert ihr hättet harmoniert sie; Sie hätten harmoniert
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde harmonieren du würdest harmonieren er würde harmonieren wir würden harmonieren ihr würdet harmonieren sie; Sie würden harmonieren
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde harmoniert haben du würdest harmoniert haben er würde harmoniert haben wir würden harmoniert haben ihr würdet harmoniert haben sie; Sie würden harmoniert haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du harmoniere
|