Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

haperen vervoegen




NL: haperen
Synoniemen: blijven steken, mankeren, stokken, stotteren, stagneren, stamelen, hakkelen, vastlopen

DE: haperen (stokken): stocken, hapern, aussetzen, stagnieren, festfahren
EN: haperen (stokken): stagnate, falter, stick, stop, waver, stay put
FR: haperen (stokken): hésiter, tomber à plat, être bloqué

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gehaperd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik haper
jij hapert
hij hapert
wij haperen
jullie haperen
zij haperen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gehaperd
jij hebt gehaperd
hij heeft gehaperd
wij hebben gehaperd
jullie hebben gehaperd
zij hebben gehaperd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik haperde
jij haperde
hij haperde
wij haperden
jullie haperden
zij haperden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gehaperd
jij had gehaperd
hij had gehaperd
wij hadden gehaperd
jullie hadden gehaperd
zij hadden gehaperd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal haperen
jij zult haperen
hij zal haperen
wij zullen haperen
jullie zullen haperen
zij zullen haperen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gehaperd hebben
jij zult gehaperd hebben
hij zal gehaperd hebben
wij zullen gehaperd hebben
jullie zullen gehaperd hebben
zij zullen gehaperd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou haperen
jij zou haperen
hij zou haperen
wij zouden haperen
jullie zouden haperen
zij zouden haperen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gehaperd hebben
jij zou gehaperd hebben
hij zou gehaperd hebben
wij zouden gehaperd hebben
jullie zouden gehaperd hebben
zij zouden gehaperd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
haper

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/haperen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald