MWB Online woordenboek
 

Vertalen

Woorden (Hoofdpagina)
Tekst
Vaakst vertaald

Ontspanning

Puzzelwoorden
Woordspellen
Rijmwoordenboek

Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

Spelling

Spellingalfabet
Goed en Fout
Spellingcontrole

Varia

Dialecten
Encyclopedie
Symbolen en ALT-codes
Tellen in andere talen
Themawoordenboeken
This site in English

Taalportalen

NL | DE | EN | ES | FR

De website

Partners | Contact | Privacy

Vervoegen: hanteln

DE: hanteln

DE: hanteln
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gehantelt
hantelnd
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich hantle
du hantelst
er hantelt
wir hanteln
ihr hantelt
sie; Sie hanteln
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gehantelt
du hast gehantelt
er hat gehantelt
wir haben gehantelt
ihr habt gehantelt
sie; Sie haben gehantelt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich hantelte
du hanteltest
er hantelte
wir hantelten
ihr hanteltet
sie; Sie hantelten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich war gehantelt
du hattest gehantelt
er hatte gehantelt
wir hatten gehantelt
ihr hattet gehantelt
sie; Sie hatten gehantelt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde hanteln
du wirst hanteln
er wird hanteln
wir werden hanteln
ihr werdet hanteln
sie; Sie werden hanteln
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gehantelt haben
du wirst gehantelt haben
er wird gehantelt haben
wir werden gehantelt haben
ihr werdet gehantelt haben
sie; Sie werden gehantelt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hantle
du hantlest
er hantle
wir hantlen
ihr hantlet
sie; Sie hantlen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gehantelt ; sei gehantelt
du habest gehantelt
er habe gehantelt
wir haben gehantelt
ihr habet gehantelt
sie; Sie haben gehantelt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hantelte
du hanteltest
er hantelte
wir hantelten
ihr hanteltet
sie; Sie hantelten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gehantelt
du hättest gehantelt
er hätte gehantelt
wir hätten gehantelt
ihr hättet gehantelt
sie; Sie hätten gehantelt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde hanteln
du würdest hanteln
er würde hanteln
wir würden hanteln
ihr würdet hanteln
sie; Sie würden hanteln
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gehantelt sein
du würdest gehantelt haben
er würde gehantelt haben
wir würden gehantelt haben
ihr würdet gehantelt haben
sie; Sie würden gehantelt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du hantle

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/hanteln


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


Vervoeg

Typ een werkwoordsvorm in en klik op de `Vervoeg` knop.

Vertalen

Naar

Spelling (woord)

Vervoegen

Synoniemen

Werkwoord vervoegen

Van Dale taalweb
© Mijnwoordenboek 2008