NL: hangen U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gehangen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hang jij hangt hij hangt wij hangen jullie hangen zij hangen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gehangen jij hebt gehangen hij heeft gehangen wij hebben gehangen jullie hebben gehangen zij hebben gehangen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hing jij hing hij hing wij hingen jullie hingen zij hingen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gehangen jij had gehangen hij had gehangen wij hadden gehangen jullie hadden gehangen zij hadden gehangen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal hangen jij zult hangen hij zal hangen wij zullen hangen jullie zullen hangen zij zullen hangen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gehangen hebben jij zult gehangen hebben hij zal gehangen hebben wij zullen gehangen hebben jullie zullen gehangen hebben zij zullen gehangen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou hangen jij zou hangen hij zou hangen wij zouden hangen jullie zouden hangen zij zouden hangen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gehangen hebben jij zou gehangen hebben hij zou gehangen hebben wij zouden gehangen hebben jullie zouden gehangen hebben zij zouden gehangen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hang
|
DE: hangen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gehangen hängend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hänge du hängst er hängt wir hängen ihr hängt sie; Sie hängen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gehangen du hast gehangen er hat gehangen wir haben gehangen ihr habt gehangen sie; Sie haben gehangen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hing du hingest er hing wir hingen ihr hinget sie; Sie hingen
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gehangen du hattest gehangen er hatte gehangen wir hatten gehangen ihr hattet gehangen sie; Sie hatten gehangen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde hängen du wirst hängen er wird hängen wir werden hängen ihr werdet hängen sie; Sie werden hängen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gehangen haben du wirst gehangen haben er wird gehangen haben wir werden gehangen haben ihr werdet gehangen haben sie; Sie werden gehangen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hänge du hängest er hänge wir hängen ihr hänget sie; Sie hängen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gehangen ; sei gehangen du habest gehangen er habe gehangen wir haben gehangen ihr habet gehangen sie; Sie haben gehangen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hinge du hingest er hinge wir hingen ihr hinget sie; Sie hingen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gehangen du hättest gehangen er hätte gehangen wir hätten gehangen ihr hättet gehangen sie; Sie hätten gehangen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde hängen du würdest hängen er würde hängen wir würden hängen ihr würdet hängen sie; Sie würden hängen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gehangen haben du würdest gehangen haben er würde gehangen haben wir würden gehangen haben ihr würdet gehangen haben sie; Sie würden gehangen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du hänge; häng
|