Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

hangen vervoegen




DE: hangen

NL: hangen

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gehangen
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik hang
jij hangt
hij hangt
wij hangen
jullie hangen
zij hangen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gehangen
jij hebt gehangen
hij heeft gehangen
wij hebben gehangen
jullie hebben gehangen
zij hebben gehangen
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik hing
jij hing
hij hing
wij hingen
jullie hingen
zij hingen
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gehangen
jij had gehangen
hij had gehangen
wij hadden gehangen
jullie hadden gehangen
zij hadden gehangen
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal hangen
jij zult hangen
hij zal hangen
wij zullen hangen
jullie zullen hangen
zij zullen hangen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gehangen hebben
jij zult gehangen hebben
hij zal gehangen hebben
wij zullen gehangen hebben
jullie zullen gehangen hebben
zij zullen gehangen hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou hangen
jij zou hangen
hij zou hangen
wij zouden hangen
jullie zouden hangen
zij zouden hangen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gehangen hebben
jij zou gehangen hebben
hij zou gehangen hebben
wij zouden gehangen hebben
jullie zouden gehangen hebben
zij zouden gehangen hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
hang


DE: hangen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gehangen
hängend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich hänge
du hängst
er hängt
wir hängen
ihr hängt
sie; Sie hängen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gehangen
du hast gehangen
er hat gehangen
wir haben gehangen
ihr habt gehangen
sie; Sie haben gehangen
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich hing
du hingest
er hing
wir hingen
ihr hinget
sie; Sie hingen
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gehangen
du hattest gehangen
er hatte gehangen
wir hatten gehangen
ihr hattet gehangen
sie; Sie hatten gehangen
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde hängen
du wirst hängen
er wird hängen
wir werden hängen
ihr werdet hängen
sie; Sie werden hängen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gehangen haben
du wirst gehangen haben
er wird gehangen haben
wir werden gehangen haben
ihr werdet gehangen haben
sie; Sie werden gehangen haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hänge
du hängest
er hänge
wir hängen
ihr hänget
sie; Sie hängen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gehangen ; sei gehangen
du habest gehangen
er habe gehangen
wir haben gehangen
ihr habet gehangen
sie; Sie haben gehangen
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hinge
du hingest
er hinge
wir hingen
ihr hinget
sie; Sie hingen
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gehangen
du hättest gehangen
er hätte gehangen
wir hätten gehangen
ihr hättet gehangen
sie; Sie hätten gehangen
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde hängen
du würdest hängen
er würde hängen
wir würden hängen
ihr würdet hängen
sie; Sie würden hängen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gehangen haben
du würdest gehangen haben
er würde gehangen haben
wir würden gehangen haben
ihr würdet gehangen haben
sie; Sie würden gehangen haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du hänge; häng

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/hangen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald