NL: halverenDE: halveren (in tweeën delen): halbieren, in zwei Hälften zerteilen
EN: halveren (in tweeën delen): cut in half, divide into halves
ES: halveren (in tweeën delen): partir por la mitad, dividir en dos, reducir a la mitad
FR: halveren (in tweeën delen): couper en deux, réduire de moitié, diviser en deux, partager en deux
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gehalveerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik halveer jij halveert hij halveert wij halveren jullie halveren zij halveren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gehalveerd jij hebt gehalveerd hij heeft gehalveerd wij hebben gehalveerd jullie hebben gehalveerd zij hebben gehalveerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik halveerde jij halveerde hij halveerde wij halveerden jullie halveerden zij halveerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gehalveerd jij had gehalveerd hij had gehalveerd wij hadden gehalveerd jullie hadden gehalveerd zij hadden gehalveerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal halveren jij zult halveren hij zal halveren wij zullen halveren jullie zullen halveren zij zullen halveren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gehalveerd hebben jij zult gehalveerd hebben hij zal gehalveerd hebben wij zullen gehalveerd hebben jullie zullen gehalveerd hebben zij zullen gehalveerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou halveren jij zou halveren hij zou halveren wij zouden halveren jullie zouden halveren zij zouden halveren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gehalveerd hebben jij zou gehalveerd hebben hij zou gehalveerd hebben wij zouden gehalveerd hebben jullie zouden gehalveerd hebben zij zouden gehalveerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
halveer
|