NL: hagelenDE: hageln
EN: hail
ES: granizar
FR: grêler
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gehageld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hagel jij hagelt hij hagelt wij hagelen jullie hagelen zij hagelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gehageld jij hebt gehageld hij heeft gehageld wij hebben gehageld jullie hebben gehageld zij hebben gehageld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hagelde jij hagelde hij hagelde wij hagelden jullie hagelden zij hagelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gehageld jij had gehageld hij had gehageld wij hadden gehageld jullie hadden gehageld zij hadden gehageld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal hagelen jij zult hagelen hij zal hagelen wij zullen hagelen jullie zullen hagelen zij zullen hagelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gehageld hebben jij zult gehageld hebben hij zal gehageld hebben wij zullen gehageld hebben jullie zullen gehageld hebben zij zullen gehageld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou hagelen jij zou hagelen hij zou hagelen wij zouden hagelen jullie zouden hagelen zij zouden hagelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gehageld hebben jij zou gehageld hebben hij zou gehageld hebben wij zouden gehageld hebben jullie zouden gehageld hebben zij zouden gehageld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hagel
|