Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

hacken vervoegen




DE: hacken

NL: hacken
Synoniemen: hakken, in stukken hakken

DE: hauen, abhacken, abhauen, abholzen, fällen, holzen, schlagen, umhacken, umhauen
EN: divide, split, fritter away, separate, cut up, cut up in pieces

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gehackt
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik hack
jij hackt
hij hackt
wij hacken
jullie hacken
zij hacken
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gehackt
jij hebt gehackt
hij heeft gehackt
wij hebben gehackt
jullie hebben gehackt
zij hebben gehackt
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik hackte
jij hackte
hij hackte
wij hackten
jullie hackten
zij hackten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gehackt
jij had gehackt
hij had gehackt
wij hadden gehackt
jullie hadden gehackt
zij hadden gehackt
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal hacken
jij zult hacken
hij zal hacken
wij zullen hacken
jullie zullen hacken
zij zullen hacken
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gehackt hebben
jij zult gehackt hebben
hij zal gehackt hebben
wij zullen gehackt hebben
jullie zullen gehackt hebben
zij zullen gehackt hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou hacken
jij zou hacken
hij zou hacken
wij zouden hacken
jullie zouden hacken
zij zouden hacken
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gehackt hebben
jij zou gehackt hebben
hij zou gehackt hebben
wij zouden gehackt hebben
jullie zouden gehackt hebben
zij zouden gehackt hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
hack


DE: hacken
Synoniemen: hauen, abhacken, abhauen, abholzen, fällen, holzen, schlagen, umhacken, umhauen

NL: hakken, in stukken hakken
EN: divide, split, fritter away, separate, cut up, cut up in pieces
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gehackt
hackend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich hacke
du hackst
er hackt
wir hacken
ihr hackt
sie; Sie hacken
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich bin gehackt
du hast gehackt
er hat gehackt
wir haben gehackt
ihr habt gehackt
sie; Sie haben gehackt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich hackte
du hacktest
er hackte
wir hackten
ihr hacktet
sie; Sie hackten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich war gehackt
du hattest gehackt
er hatte gehackt
wir hatten gehackt
ihr hattet gehackt
sie; Sie hatten gehackt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde hacken
du wirst hacken
er wird hacken
wir werden hacken
ihr werdet hacken
sie; Sie werden hacken
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gehackt sein
du wirst gehackt haben
er wird gehackt haben
wir werden gehackt haben
ihr werdet gehackt haben
sie; Sie werden gehackt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hacke
du hackest
er hacke
wir hacken
ihr hacket
sie; Sie hacken
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich sei gehackt
du habest gehackt
er habe gehackt
wir haben gehackt
ihr habet gehackt
sie; Sie haben gehackt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hackte
du hacktest
er hackte
wir hackten
ihr hacktet
sie; Sie hackten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gehackt ; wäre gehackt
du hättest gehackt
er hätte gehackt
wir hätten gehackt
ihr hättet gehackt
sie; Sie hätten gehackt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde hacken
du würdest hacken
er würde hacken
wir würden hacken
ihr würdet hacken
sie; Sie würden hacken
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gehackt haben
du würdest gehackt haben
er würde gehackt haben
wir würden gehackt haben
ihr würdet gehackt haben
sie; Sie würden gehackt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du hacke

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/hacken

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald