NL: hackenSynoniemen: hakken, in stukken hakken
DE: hauen, abhacken, abhauen, abholzen, fällen, holzen, schlagen, umhacken, umhauen
EN: divide, split, fritter away, separate, cut up, cut up in pieces
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gehackt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hack jij hackt hij hackt wij hacken jullie hacken zij hacken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gehackt jij hebt gehackt hij heeft gehackt wij hebben gehackt jullie hebben gehackt zij hebben gehackt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hackte jij hackte hij hackte wij hackten jullie hackten zij hackten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gehackt jij had gehackt hij had gehackt wij hadden gehackt jullie hadden gehackt zij hadden gehackt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal hacken jij zult hacken hij zal hacken wij zullen hacken jullie zullen hacken zij zullen hacken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gehackt hebben jij zult gehackt hebben hij zal gehackt hebben wij zullen gehackt hebben jullie zullen gehackt hebben zij zullen gehackt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou hacken jij zou hacken hij zou hacken wij zouden hacken jullie zouden hacken zij zouden hacken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gehackt hebben jij zou gehackt hebben hij zou gehackt hebben wij zouden gehackt hebben jullie zouden gehackt hebben zij zouden gehackt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hack
|
DE: hackenSynoniemen: hauen, abhacken, abhauen, abholzen, fällen, holzen, schlagen, umhacken, umhauen
NL: hakken, in stukken hakken
EN: divide, split, fritter away, separate, cut up, cut up in pieces
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gehackt hackend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hacke du hackst er hackt wir hacken ihr hackt sie; Sie hacken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin gehackt du hast gehackt er hat gehackt wir haben gehackt ihr habt gehackt sie; Sie haben gehackt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hackte du hacktest er hackte wir hackten ihr hacktet sie; Sie hackten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war gehackt du hattest gehackt er hatte gehackt wir hatten gehackt ihr hattet gehackt sie; Sie hatten gehackt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde hacken du wirst hacken er wird hacken wir werden hacken ihr werdet hacken sie; Sie werden hacken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gehackt sein du wirst gehackt haben er wird gehackt haben wir werden gehackt haben ihr werdet gehackt haben sie; Sie werden gehackt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hacke du hackest er hacke wir hacken ihr hacket sie; Sie hacken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei gehackt du habest gehackt er habe gehackt wir haben gehackt ihr habet gehackt sie; Sie haben gehackt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hackte du hacktest er hackte wir hackten ihr hacktet sie; Sie hackten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gehackt ; wäre gehackt du hättest gehackt er hätte gehackt wir hätten gehackt ihr hättet gehackt sie; Sie hätten gehackt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde hacken du würdest hacken er würde hacken wir würden hacken ihr würdet hacken sie; Sie würden hacken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gehackt haben du würdest gehackt haben er würde gehackt haben wir würden gehackt haben ihr würdet gehackt haben sie; Sie würden gehackt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du hacke
|