NL: grollenSynoniemen: wrok voelen tegen
EN: resent something, resent someone
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegrold
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik grol jij grolt hij grolt wij grollen jullie grollen zij grollen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegrold jij hebt gegrold hij heeft gegrold wij hebben gegrold jullie hebben gegrold zij hebben gegrold
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik grolde jij grolde hij grolde wij grolden jullie grolden zij grolden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegrold jij had gegrold hij had gegrold wij hadden gegrold jullie hadden gegrold zij hadden gegrold
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal grollen jij zult grollen hij zal grollen wij zullen grollen jullie zullen grollen zij zullen grollen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegrold hebben jij zult gegrold hebben hij zal gegrold hebben wij zullen gegrold hebben jullie zullen gegrold hebben zij zullen gegrold hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou grollen jij zou grollen hij zou grollen wij zouden grollen jullie zouden grollen zij zouden grollen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegrold hebben jij zou gegrold hebben hij zou gegrold hebben wij zouden gegrold hebben jullie zouden gegrold hebben zij zouden gegrold hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
grol
|
DE: grollenNL: wrok voelen tegen
EN: resent something, resent someone
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gegrollt grollend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich grolle du grollst er grollt wir grollen ihr grollt sie; Sie grollen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gegrollt du hast gegrollt er hat gegrollt wir haben gegrollt ihr habt gegrollt sie; Sie haben gegrollt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich grollte du grolltest er grollte wir grollten ihr grolltet sie; Sie grollten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gegrollt du hattest gegrollt er hatte gegrollt wir hatten gegrollt ihr hattet gegrollt sie; Sie hatten gegrollt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde grollen du wirst grollen er wird grollen wir werden grollen ihr werdet grollen sie; Sie werden grollen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gegrollt haben du wirst gegrollt haben er wird gegrollt haben wir werden gegrollt haben ihr werdet gegrollt haben sie; Sie werden gegrollt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich grolle du grollest er grolle wir grollen ihr grollet sie; Sie grollen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gegrollt du habest gegrollt er habe gegrollt wir haben gegrollt ihr habet gegrollt sie; Sie haben gegrollt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich grollte du grolltest er grollte wir grollten ihr grolltet sie; Sie grollten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gegrollt du hättest gegrollt er hätte gegrollt wir hätten gegrollt ihr hättet gegrollt sie; Sie hätten gegrollt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde grollen du würdest grollen er würde grollen wir würden grollen ihr würdet grollen sie; Sie würden grollen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gegrollt haben du würdest gegrollt haben er würde gegrollt haben wir würden gegrollt haben ihr würdet gegrollt haben sie; Sie würden gegrollt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du grolle
|