NL: griffelenSynoniemen: griffen, graveren
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegriffeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik griffel jij griffelt hij griffelt wij griffelen jullie griffelen zij griffelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegriffeld jij hebt gegriffeld hij heeft gegriffeld wij hebben gegriffeld jullie hebben gegriffeld zij hebben gegriffeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik griffelde jij griffelde hij griffelde wij griffelden jullie griffelden zij griffelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegriffeld jij had gegriffeld hij had gegriffeld wij hadden gegriffeld jullie hadden gegriffeld zij hadden gegriffeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal griffelen jij zult griffelen hij zal griffelen wij zullen griffelen jullie zullen griffelen zij zullen griffelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegriffeld hebben jij zult gegriffeld hebben hij zal gegriffeld hebben wij zullen gegriffeld hebben jullie zullen gegriffeld hebben zij zullen gegriffeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou griffelen jij zou griffelen hij zou griffelen wij zouden griffelen jullie zouden griffelen zij zouden griffelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegriffeld hebben jij zou gegriffeld hebben hij zou gegriffeld hebben wij zouden gegriffeld hebben jullie zouden gegriffeld hebben zij zouden gegriffeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
griffel
|