NL: griezelenSynoniemen: gruwelen, gruwen, huiveren
DE: grausen, sich gruseln, sich grausen
EN: shiver, shudder
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegriezeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik griezel jij griezelt hij griezelt wij griezelen jullie griezelen zij griezelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegriezeld jij hebt gegriezeld hij heeft gegriezeld wij hebben gegriezeld jullie hebben gegriezeld zij hebben gegriezeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik griezelde jij griezelde hij griezelde wij griezelden jullie griezelden zij griezelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegriezeld jij had gegriezeld hij had gegriezeld wij hadden gegriezeld jullie hadden gegriezeld zij hadden gegriezeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal griezelen jij zult griezelen hij zal griezelen wij zullen griezelen jullie zullen griezelen zij zullen griezelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegriezeld hebben jij zult gegriezeld hebben hij zal gegriezeld hebben wij zullen gegriezeld hebben jullie zullen gegriezeld hebben zij zullen gegriezeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou griezelen jij zou griezelen hij zou griezelen wij zouden griezelen jullie zouden griezelen zij zouden griezelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegriezeld hebben jij zou gegriezeld hebben hij zou gegriezeld hebben wij zouden gegriezeld hebben jullie zouden gegriezeld hebben zij zouden gegriezeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
griezel
|