NL: grazenSynoniemen: weiden, graseten, afgrazen
EN: graze, pasture, browse
FR: paître, manger de l'herbe
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegraasd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik graas jij graast hij graast wij grazen jullie grazen zij grazen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegraasd jij hebt gegraasd hij heeft gegraasd wij hebben gegraasd jullie hebben gegraasd zij hebben gegraasd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik graasde jij graasde hij graasde wij graasden jullie graasden zij graasden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegraasd jij had gegraasd hij had gegraasd wij hadden gegraasd jullie hadden gegraasd zij hadden gegraasd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal grazen jij zult grazen hij zal grazen wij zullen grazen jullie zullen grazen zij zullen grazen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegraasd hebben jij zult gegraasd hebben hij zal gegraasd hebben wij zullen gegraasd hebben jullie zullen gegraasd hebben zij zullen gegraasd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou grazen jij zou grazen hij zou grazen wij zouden grazen jullie zouden grazen zij zouden grazen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegraasd hebben jij zou gegraasd hebben hij zou gegraasd hebben wij zouden gegraasd hebben jullie zouden gegraasd hebben zij zouden gegraasd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
graas
|