NL: goeddoenSynoniemen: weldoen, helpen
DE: goeddoen (iemand plezieren): erfreuen, gefallen, helfen
EN: goeddoen (iemand plezieren): oblige someone with, make someone happy, make someone glad
FR: goeddoen (iemand plezieren): rendre service, faire plaisir à, rendre service à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
goedgedaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik doe goed jij doet goed hij doet goed wij doen goed jullie doen goed zij doen goed
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb goedgedaan jij hebt goedgedaan hij heeft goedgedaan wij hebben goedgedaan jullie hebben goedgedaan zij hebben goedgedaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik deed goed jij deed goed hij deed goed wij deden goed jullie deden goed zij deden goed
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had goedgedaan jij had goedgedaan hij had goedgedaan wij hadden goedgedaan jullie hadden goedgedaan zij hadden goedgedaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal goeddoen jij zult goeddoen hij zal goeddoen wij zullen goeddoen jullie zullen goeddoen zij zullen goeddoen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal goedgedaan hebben jij zult goedgedaan hebben hij zal goedgedaan hebben wij zullen goedgedaan hebben jullie zullen goedgedaan hebben zij zullen goedgedaan hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou goeddoen jij zou goeddoen hij zou goeddoen wij zouden goeddoen jullie zouden goeddoen zij zouden goeddoen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou goedgedaan hebben jij zou goedgedaan hebben hij zou goedgedaan hebben wij zouden goedgedaan hebben jullie zouden goedgedaan hebben zij zouden goedgedaan hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
doe goed
|