NL: gloeienSynoniemen: blozen, branden, fonkelen, nasmeulen, blaken, kleuren, smeulen
DE: gloeien (blozen): erröten
EN: gloeien (blozen): blush, flush, turn red, glow
ES: gloeien (blozen): colorear, iluminar, arder, ruborizarse, estar al rojo vivo, sonrojarse, enrojecer, estar latente, ponerse colorado, avergonzarse, abochornarse, arder sin llama
FR: gloeien (blozen): rougir, avoir un teint coloré
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegloeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik gloei jij gloeit hij gloeit wij gloeien jullie gloeien zij gloeien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegloeid jij hebt gegloeid hij heeft gegloeid wij hebben gegloeid jullie hebben gegloeid zij hebben gegloeid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik gloeide jij gloeide hij gloeide wij gloeiden jullie gloeiden zij gloeiden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegloeid jij had gegloeid hij had gegloeid wij hadden gegloeid jullie hadden gegloeid zij hadden gegloeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal gloeien jij zult gloeien hij zal gloeien wij zullen gloeien jullie zullen gloeien zij zullen gloeien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegloeid hebben jij zult gegloeid hebben hij zal gegloeid hebben wij zullen gegloeid hebben jullie zullen gegloeid hebben zij zullen gegloeid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou gloeien jij zou gloeien hij zou gloeien wij zouden gloeien jullie zouden gloeien zij zouden gloeien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegloeid hebben jij zou gegloeid hebben hij zou gegloeid hebben wij zouden gegloeid hebben jullie zouden gegloeid hebben zij zouden gegloeid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
gloei
|