NL: glinsterenSynoniemen: blinken, glimmen, schitteren, fonkelen
DE: scheinen, blitzen, schimmern, leuchten, spiegeln, glühen, blinken, flimmern, strahlen, funkeln
EN: sparkle, shine, glitter, glisten
ES: chispear, hacer brillar, brillar, igualar, aplanar, abrillantar
FR: briller, étinceler, scintiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geglinsterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik glinster jij glinstert hij glinstert wij glinsteren jullie glinsteren zij glinsteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geglinsterd jij hebt geglinsterd hij heeft geglinsterd wij hebben geglinsterd jullie hebben geglinsterd zij hebben geglinsterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik glinsterde jij glinsterde hij glinsterde wij glinsterden jullie glinsterden zij glinsterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geglinsterd jij had geglinsterd hij had geglinsterd wij hadden geglinsterd jullie hadden geglinsterd zij hadden geglinsterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal glinsteren jij zult glinsteren hij zal glinsteren wij zullen glinsteren jullie zullen glinsteren zij zullen glinsteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geglinsterd hebben jij zult geglinsterd hebben hij zal geglinsterd hebben wij zullen geglinsterd hebben jullie zullen geglinsterd hebben zij zullen geglinsterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou glinsteren jij zou glinsteren hij zou glinsteren wij zouden glinsteren jullie zouden glinsteren zij zouden glinsteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geglinsterd hebben jij zou geglinsterd hebben hij zou geglinsterd hebben wij zouden geglinsterd hebben jullie zouden geglinsterd hebben zij zouden geglinsterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
glinster
|