NL: glazurenSynoniemen: verglazen
EN: glaze, ice
ES: glasear, almibarar, esmaltar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geglazuurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik glazuur jij glazuurt hij glazuurt wij glazuren jullie glazuren zij glazuren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geglazuurd jij hebt geglazuurd hij heeft geglazuurd wij hebben geglazuurd jullie hebben geglazuurd zij hebben geglazuurd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik glazuurde jij glazuurde hij glazuurde wij glazuurden jullie glazuurden zij glazuurden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geglazuurd jij had geglazuurd hij had geglazuurd wij hadden geglazuurd jullie hadden geglazuurd zij hadden geglazuurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal glazuren jij zult glazuren hij zal glazuren wij zullen glazuren jullie zullen glazuren zij zullen glazuren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geglazuurd hebben jij zult geglazuurd hebben hij zal geglazuurd hebben wij zullen geglazuurd hebben jullie zullen geglazuurd hebben zij zullen geglazuurd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou glazuren jij zou glazuren hij zou glazuren wij zouden glazuren jullie zouden glazuren zij zouden glazuren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geglazuurd hebben jij zou geglazuurd hebben hij zou geglazuurd hebben wij zouden geglazuurd hebben jullie zouden geglazuurd hebben zij zouden geglazuurd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
glazuur
|