NL: gijzelenDE: geiseln
EN: hijack, kidnap
FR: prendre en otage, enchaîner, emprisonner pour dettes
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegijzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik gijzel jij gijzelt hij gijzelt wij gijzelen jullie gijzelen zij gijzelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegijzeld jij hebt gegijzeld hij heeft gegijzeld wij hebben gegijzeld jullie hebben gegijzeld zij hebben gegijzeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik gijzelde jij gijzelde hij gijzelde wij gijzelden jullie gijzelden zij gijzelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegijzeld jij had gegijzeld hij had gegijzeld wij hadden gegijzeld jullie hadden gegijzeld zij hadden gegijzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal gijzelen jij zult gijzelen hij zal gijzelen wij zullen gijzelen jullie zullen gijzelen zij zullen gijzelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegijzeld hebben jij zult gegijzeld hebben hij zal gegijzeld hebben wij zullen gegijzeld hebben jullie zullen gegijzeld hebben zij zullen gegijzeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou gijzelen jij zou gijzelen hij zou gijzelen wij zouden gijzelen jullie zouden gijzelen zij zouden gijzelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegijzeld hebben jij zou gegijzeld hebben hij zou gegijzeld hebben wij zouden gegijzeld hebben jullie zouden gegijzeld hebben zij zouden gegijzeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
gijzel
|