NL: gewennenDE: sich daran gewöhnen
FR: habituer, s'habituer, accoutumer, se familiariser, s'habituer à, s'accoutumer, habituer à, prendre l'habitude, s'accoutumer à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik gewen jij gewent hij gewent wij gewennen jullie gewennen zij gewennen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewend jij hebt gewend hij heeft gewend wij hebben gewend jullie hebben gewend zij hebben gewend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik gewende jij gewende hij gewende wij gewenden jullie gewenden zij gewenden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewend jij had gewend hij had gewend wij hadden gewend jullie hadden gewend zij hadden gewend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal gewennen jij zult gewennen hij zal gewennen wij zullen gewennen jullie zullen gewennen zij zullen gewennen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewend hebben jij zult gewend hebben hij zal gewend hebben wij zullen gewend hebben jullie zullen gewend hebben zij zullen gewend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou gewennen jij zou gewennen hij zou gewennen wij zouden gewennen jullie zouden gewennen zij zouden gewennen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewend hebben jij zou gewend hebben hij zou gewend hebben wij zouden gewend hebben jullie zouden gewend hebben zij zouden gewend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
gewen
|