NL: geselenSynoniemen: afranselen, kwellen, tuchtigen, kastijden
DE: geselen (tuchtigen): kasteien, bestrafen, strafen, züchtigen
EN: geselen (tuchtigen): chastise, punish, discipline
ES: geselen (tuchtigen): castigar, sancionar
FR: geselen (tuchtigen): punir, fouetter, châtier, infliger une punition
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegeseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik gesel jij geselt hij geselt wij geselen jullie geselen zij geselen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegeseld jij hebt gegeseld hij heeft gegeseld wij hebben gegeseld jullie hebben gegeseld zij hebben gegeseld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik geselde jij geselde hij geselde wij geselden jullie geselden zij geselden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegeseld jij had gegeseld hij had gegeseld wij hadden gegeseld jullie hadden gegeseld zij hadden gegeseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal geselen jij zult geselen hij zal geselen wij zullen geselen jullie zullen geselen zij zullen geselen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegeseld hebben jij zult gegeseld hebben hij zal gegeseld hebben wij zullen gegeseld hebben jullie zullen gegeseld hebben zij zullen gegeseld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou geselen jij zou geselen hij zou geselen wij zouden geselen jullie zouden geselen zij zouden geselen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegeseld hebben jij zou gegeseld hebben hij zou gegeseld hebben wij zouden gegeseld hebben jullie zouden gegeseld hebben zij zouden gegeseld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
gesel
|