NL: gelijkenSynoniemen: lijken, overeenkomen, overeenstemmen
DE: das Gleichen, das Ähneln
EN: the equals
ES: el iguales
FR: la ressemblance
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geleken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik gelijk jij gelijkt hij gelijkt wij gelijken jullie gelijken zij gelijken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geleken jij hebt geleken hij heeft geleken wij hebben geleken jullie hebben geleken zij hebben geleken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik geleek jij geleek hij geleek wij geleken jullie geleken zij geleken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geleken jij had geleken hij had geleken wij hadden geleken jullie hadden geleken zij hadden geleken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal gelijken jij zult gelijken hij zal gelijken wij zullen gelijken jullie zullen gelijken zij zullen gelijken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geleken hebben jij zult geleken hebben hij zal geleken hebben wij zullen geleken hebben jullie zullen geleken hebben zij zullen geleken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou gelijken jij zou gelijken hij zou gelijken wij zouden gelijken jullie zouden gelijken zij zouden gelijken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geleken hebben jij zou geleken hebben hij zou geleken hebben wij zouden geleken hebben jullie zouden geleken hebben zij zouden geleken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
gelijk
|