NL: geldenSynoniemen: aangaan, doorgaan voor, geldig zijn, geldt, vigeren, van kracht zijn
DE: gelten
EN: apply, count, weigh
ES: validar
FR: valoir, avoir effet, être en vigueur, s'appliquer à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegolden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik geld jij geldt hij geldt wij gelden jullie gelden zij gelden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegolden jij hebt gegolden hij heeft gegolden wij hebben gegolden jullie hebben gegolden zij hebben gegolden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik gold jij gold hij gold wij golden jullie golden zij golden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegolden jij had gegolden hij had gegolden wij hadden gegolden jullie hadden gegolden zij hadden gegolden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal gelden jij zult gelden hij zal gelden wij zullen gelden jullie zullen gelden zij zullen gelden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegolden hebben jij zult gegolden hebben hij zal gegolden hebben wij zullen gegolden hebben jullie zullen gegolden hebben zij zullen gegolden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou gelden jij zou gelden hij zou gelden wij zouden gelden jullie zouden gelden zij zouden gelden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegolden hebben jij zou gegolden hebben hij zou gegolden hebben wij zouden gegolden hebben jullie zouden gegolden hebben zij zouden gegolden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
geld
|