NL: gapenSynoniemen: geeuwen, kijken, aangapen, openstaan
DE: gapen (geeuwen): gähnen
EN: gapen (geeuwen): yawn, gape, gawp, gawk
ES: gapen (geeuwen): bostezar, dar bostezos, dar un bostezo
FR: gapen (geeuwen): bâiller, bayer aux corneilles
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegaapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik gaap jij gaapt hij gaapt wij gapen jullie gapen zij gapen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegaapt jij hebt gegaapt hij heeft gegaapt wij hebben gegaapt jullie hebben gegaapt zij hebben gegaapt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik gaapte jij gaapte hij gaapte wij gaapten jullie gaapten zij gaapten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegaapt jij had gegaapt hij had gegaapt wij hadden gegaapt jullie hadden gegaapt zij hadden gegaapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal gapen jij zult gapen hij zal gapen wij zullen gapen jullie zullen gapen zij zullen gapen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegaapt hebben jij zult gegaapt hebben hij zal gegaapt hebben wij zullen gegaapt hebben jullie zullen gegaapt hebben zij zullen gegaapt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou gapen jij zou gapen hij zou gapen wij zouden gapen jullie zouden gapen zij zouden gapen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegaapt hebben jij zou gegaapt hebben hij zou gegaapt hebben wij zouden gegaapt hebben jullie zouden gegaapt hebben zij zouden gegaapt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
gaap
|