NL: galopperenDE: galoppieren
EN: gallop
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gegaloppeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik galoppeer jij galoppeert hij galoppeert wij galopperen jullie galopperen zij galopperen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gegaloppeerd jij hebt gegaloppeerd hij heeft gegaloppeerd wij hebben gegaloppeerd jullie hebben gegaloppeerd zij hebben gegaloppeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik galoppeerde jij galoppeerde hij galoppeerde wij galoppeerden jullie galoppeerden zij galoppeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gegaloppeerd jij had gegaloppeerd hij had gegaloppeerd wij hadden gegaloppeerd jullie hadden gegaloppeerd zij hadden gegaloppeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal galopperen jij zult galopperen hij zal galopperen wij zullen galopperen jullie zullen galopperen zij zullen galopperen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gegaloppeerd hebben jij zult gegaloppeerd hebben hij zal gegaloppeerd hebben wij zullen gegaloppeerd hebben jullie zullen gegaloppeerd hebben zij zullen gegaloppeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou galopperen jij zou galopperen hij zou galopperen wij zouden galopperen jullie zouden galopperen zij zouden galopperen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gegaloppeerd hebben jij zou gegaloppeerd hebben hij zou gegaloppeerd hebben wij zouden gegaloppeerd hebben jullie zouden gegaloppeerd hebben zij zouden gegaloppeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
galoppeer
|