NL: fruitenSynoniemen: bakken
DE: rösten, bräunen
EN: fry
ES: sofreír
FR: rissoler, faire revenir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefruit
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fruit jij fruit hij fruit wij fruiten jullie fruiten zij fruiten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefruit jij hebt gefruit hij heeft gefruit wij hebben gefruit jullie hebben gefruit zij hebben gefruit
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fruitte jij fruitte hij fruitte wij fruitten jullie fruitten zij fruitten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefruit jij had gefruit hij had gefruit wij hadden gefruit jullie hadden gefruit zij hadden gefruit
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal fruiten jij zult fruiten hij zal fruiten wij zullen fruiten jullie zullen fruiten zij zullen fruiten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefruit hebben jij zult gefruit hebben hij zal gefruit hebben wij zullen gefruit hebben jullie zullen gefruit hebben zij zullen gefruit hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou fruiten jij zou fruiten hij zou fruiten wij zouden fruiten jullie zouden fruiten zij zouden fruiten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefruit hebben jij zou gefruit hebben hij zou gefruit hebben wij zouden gefruit hebben jullie zouden gefruit hebben zij zouden gefruit hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fruit
|