NL: fronsenDE: runzeln, Falten ziehen
EN: frown, scowl
ES: fruncir
FR: froncer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefronst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik frons jij fronst hij fronst wij fronsen jullie fronsen zij fronsen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefronst jij hebt gefronst hij heeft gefronst wij hebben gefronst jullie hebben gefronst zij hebben gefronst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fronste jij fronste hij fronste wij fronsten jullie fronsten zij fronsten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefronst jij had gefronst hij had gefronst wij hadden gefronst jullie hadden gefronst zij hadden gefronst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal fronsen jij zult fronsen hij zal fronsen wij zullen fronsen jullie zullen fronsen zij zullen fronsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefronst hebben jij zult gefronst hebben hij zal gefronst hebben wij zullen gefronst hebben jullie zullen gefronst hebben zij zullen gefronst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou fronsen jij zou fronsen hij zou fronsen wij zouden fronsen jullie zouden fronsen zij zouden fronsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefronst hebben jij zou gefronst hebben hij zou gefronst hebben wij zouden gefronst hebben jullie zouden gefronst hebben zij zouden gefronst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
frons
|