NL: frankerenSynoniemen: beporten
DE: frankieren, freimachen
EN: stamp, prepay
ES: franquear
FR: affranchir, timbrer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefrankeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik frankeer jij frankeert hij frankeert wij frankeren jullie frankeren zij frankeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefrankeerd jij hebt gefrankeerd hij heeft gefrankeerd wij hebben gefrankeerd jullie hebben gefrankeerd zij hebben gefrankeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik frankeerde jij frankeerde hij frankeerde wij frankeerden jullie frankeerden zij frankeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefrankeerd jij had gefrankeerd hij had gefrankeerd wij hadden gefrankeerd jullie hadden gefrankeerd zij hadden gefrankeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal frankeren jij zult frankeren hij zal frankeren wij zullen frankeren jullie zullen frankeren zij zullen frankeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefrankeerd hebben jij zult gefrankeerd hebben hij zal gefrankeerd hebben wij zullen gefrankeerd hebben jullie zullen gefrankeerd hebben zij zullen gefrankeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou frankeren jij zou frankeren hij zou frankeren wij zouden frankeren jullie zouden frankeren zij zouden frankeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefrankeerd hebben jij zou gefrankeerd hebben hij zou gefrankeerd hebben wij zouden gefrankeerd hebben jullie zouden gefrankeerd hebben zij zouden gefrankeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
frankeer
|