NL: foppenSynoniemen: in de maling nemen, foppen, voor de gek houden, te pakken nemen
DE: anführen, hereinlegen, an der Nase herumführen, auf die Schippe nehmen, bemogeln, hereinfallen lassen, veralbern, verulken, zitieren, zur Sprache bringen, übertölpeln
EN: fool, tease, vex, trick, badger, swindle, hoax, hoodwink
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fop jij fopt hij fopt wij foppen jullie foppen zij foppen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefopt jij hebt gefopt hij heeft gefopt wij hebben gefopt jullie hebben gefopt zij hebben gefopt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fopte jij fopte hij fopte wij fopten jullie fopten zij fopten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefopt jij had gefopt hij had gefopt wij hadden gefopt jullie hadden gefopt zij hadden gefopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal foppen jij zult foppen hij zal foppen wij zullen foppen jullie zullen foppen zij zullen foppen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefopt hebben jij zult gefopt hebben hij zal gefopt hebben wij zullen gefopt hebben jullie zullen gefopt hebben zij zullen gefopt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou foppen jij zou foppen hij zou foppen wij zouden foppen jullie zouden foppen zij zouden foppen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefopt hebben jij zou gefopt hebben hij zou gefopt hebben wij zouden gefopt hebben jullie zouden gefopt hebben zij zouden gefopt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fop
|
DE: foppenSynoniemen: anführen, hereinlegen, an der Nase herumführen, auf die Schippe nehmen, bemogeln, hereinfallen lassen, veralbern, verulken, zitieren, zur Sprache bringen, übertölpeln
NL: in de maling nemen, foppen, voor de gek houden, te pakken nemen
EN: fool, tease, vex, trick, badger, swindle, hoax, hoodwink
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gefoppt foppend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich foppe du foppst er foppt wir foppen ihr foppt sie; Sie foppen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gefoppt du hast gefoppt er hat gefoppt wir haben gefoppt ihr habt gefoppt sie; Sie haben gefoppt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich foppte du fopptest er foppte wir foppten ihr fopptet sie; Sie foppten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gefoppt du hattest gefoppt er hatte gefoppt wir hatten gefoppt ihr hattet gefoppt sie; Sie hatten gefoppt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde foppen du wirst foppen er wird foppen wir werden foppen ihr werdet foppen sie; Sie werden foppen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gefoppt haben du wirst gefoppt haben er wird gefoppt haben wir werden gefoppt haben ihr werdet gefoppt haben sie; Sie werden gefoppt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich foppe du foppest er foppe wir foppen ihr foppet sie; Sie foppen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gefoppt ; sei gefoppt du habest gefoppt er habe gefoppt wir haben gefoppt ihr habet gefoppt sie; Sie haben gefoppt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich foppte du fopptest er foppte wir foppten ihr fopptet sie; Sie foppten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gefoppt du hättest gefoppt er hätte gefoppt wir hätten gefoppt ihr hättet gefoppt sie; Sie hätten gefoppt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde foppen du würdest foppen er würde foppen wir würden foppen ihr würdet foppen sie; Sie würden foppen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gefoppt haben du würdest gefoppt haben er würde gefoppt haben wir würden gefoppt haben ihr würdet gefoppt haben sie; Sie würden gefoppt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du foppe
|