NL: fokkenSynoniemen: aankweken, kinderen maken, kweken, opfokken, telen, voortbrengen, verbouwen, procreëren, planten, opkweken, genereren, aanplanten
DE: züchten, ziehen, hervorbringen, fortpflanzen
EN: breed, cultivate, raise, rear
ES: parir
FR: élever, faire l'élevage de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fok jij fokt hij fokt wij fokken jullie fokken zij fokken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefokt jij hebt gefokt hij heeft gefokt wij hebben gefokt jullie hebben gefokt zij hebben gefokt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fokte jij fokte hij fokte wij fokten jullie fokten zij fokten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefokt jij had gefokt hij had gefokt wij hadden gefokt jullie hadden gefokt zij hadden gefokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal fokken jij zult fokken hij zal fokken wij zullen fokken jullie zullen fokken zij zullen fokken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefokt hebben jij zult gefokt hebben hij zal gefokt hebben wij zullen gefokt hebben jullie zullen gefokt hebben zij zullen gefokt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou fokken jij zou fokken hij zou fokken wij zouden fokken jullie zouden fokken zij zouden fokken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefokt hebben jij zou gefokt hebben hij zou gefokt hebben wij zouden gefokt hebben jullie zouden gefokt hebben zij zouden gefokt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fok
|