NL: foeterenSynoniemen: knorren
EN: grumble, bawl
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefoeterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik foeter jij foetert hij foetert wij foeteren jullie foeteren zij foeteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefoeterd jij hebt gefoeterd hij heeft gefoeterd wij hebben gefoeterd jullie hebben gefoeterd zij hebben gefoeterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik foeterde jij foeterde hij foeterde wij foeterden jullie foeterden zij foeterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefoeterd jij had gefoeterd hij had gefoeterd wij hadden gefoeterd jullie hadden gefoeterd zij hadden gefoeterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal foeteren jij zult foeteren hij zal foeteren wij zullen foeteren jullie zullen foeteren zij zullen foeteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefoeterd hebben jij zult gefoeterd hebben hij zal gefoeterd hebben wij zullen gefoeterd hebben jullie zullen gefoeterd hebben zij zullen gefoeterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou foeteren jij zou foeteren hij zou foeteren wij zouden foeteren jullie zouden foeteren zij zouden foeteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefoeterd hebben jij zou gefoeterd hebben hij zou gefoeterd hebben wij zouden gefoeterd hebben jullie zouden gefoeterd hebben zij zouden gefoeterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
foeter
|