NL: fluitenSynoniemen: blazen, fluitspelen, gieren, pijpen, plassen, roepen
DE: blasen, pfeifen, flöten
EN: whistle, blow, hum
ES: tocar la flauta, soplar, silbar
FR: jouer de la flûte, siffler, souffler
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefloten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fluit jij fluit hij fluit wij fluiten jullie fluiten zij fluiten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefloten jij hebt gefloten hij heeft gefloten wij hebben gefloten jullie hebben gefloten zij hebben gefloten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik floot jij floot hij floot wij floten jullie floten zij floten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefloten jij had gefloten hij had gefloten wij hadden gefloten jullie hadden gefloten zij hadden gefloten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal fluiten jij zult fluiten hij zal fluiten wij zullen fluiten jullie zullen fluiten zij zullen fluiten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefloten hebben jij zult gefloten hebben hij zal gefloten hebben wij zullen gefloten hebben jullie zullen gefloten hebben zij zullen gefloten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou fluiten jij zou fluiten hij zou fluiten wij zouden fluiten jullie zouden fluiten zij zouden fluiten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefloten hebben jij zou gefloten hebben hij zou gefloten hebben wij zouden gefloten hebben jullie zouden gefloten hebben zij zouden gefloten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fluit
|