| Vervoegen: fluiten |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gefloten |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik fluit jij fluit hij fluit wij fluiten jullie fluiten zij fluiten |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gefloten jij hebt gefloten hij heeft gefloten wij hebben gefloten jullie hebben gefloten zij hebben gefloten |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik floot jij floot hij floot wij floten jullie floten zij floten |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gefloten jij had gefloten hij had gefloten wij hadden gefloten jullie hadden gefloten zij hadden gefloten |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal fluiten jij zult fluiten hij zal fluiten wij zullen fluiten jullie zullen fluiten zij zullen fluiten |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gefloten hebben jij zult gefloten hebben hij zal gefloten hebben wij zullen gefloten hebben jullie zullen gefloten hebben zij zullen gefloten hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou fluiten jij zou fluiten hij zou fluiten wij zouden fluiten jullie zouden fluiten zij zouden fluiten |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gefloten hebben jij zou gefloten hebben hij zou gefloten hebben wij zouden gefloten hebben jullie zouden gefloten hebben zij zouden gefloten hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| fluit |