NL: fluisterenSynoniemen: lispelen, rondvertellen, smiespelen, ademen, smoezen, praten, sissen
DE: fluisteren (lispelen): flüstern, lispeln, raunen, tuscheln, zischeln
EN: fluisteren (lispelen): whisper, whizz, whoosh, lisp, rustle, speak with a lisp
ES: fluisteren (lispelen): bisbisear, brindar, silbar, chillar, dar alaridos, musitar
FR: fluisteren (lispelen): chuchoter, murmurer, zozoter, gazouiller, susurrer, zézayer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefluisterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fluister jij fluistert hij fluistert wij fluisteren jullie fluisteren zij fluisteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefluisterd jij hebt gefluisterd hij heeft gefluisterd wij hebben gefluisterd jullie hebben gefluisterd zij hebben gefluisterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fluisterde jij fluisterde hij fluisterde wij fluisterden jullie fluisterden zij fluisterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefluisterd jij had gefluisterd hij had gefluisterd wij hadden gefluisterd jullie hadden gefluisterd zij hadden gefluisterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal fluisteren jij zult fluisteren hij zal fluisteren wij zullen fluisteren jullie zullen fluisteren zij zullen fluisteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefluisterd hebben jij zult gefluisterd hebben hij zal gefluisterd hebben wij zullen gefluisterd hebben jullie zullen gefluisterd hebben zij zullen gefluisterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou fluisteren jij zou fluisteren hij zou fluisteren wij zouden fluisteren jullie zouden fluisteren zij zouden fluisteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefluisterd hebben jij zou gefluisterd hebben hij zou gefluisterd hebben wij zouden gefluisterd hebben jullie zouden gefluisterd hebben zij zouden gefluisterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fluister
|