NL: fluimenEN: fluimen (slijm opgeven): expectorate, raise phlegm
ES: fluimen (slijm opgeven): esputar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefluimd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fluim jij fluimt hij fluimt wij fluimen jullie fluimen zij fluimen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefluimd jij hebt gefluimd hij heeft gefluimd wij hebben gefluimd jullie hebben gefluimd zij hebben gefluimd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fluimde jij fluimde hij fluimde wij fluimden jullie fluimden zij fluimden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefluimd jij had gefluimd hij had gefluimd wij hadden gefluimd jullie hadden gefluimd zij hadden gefluimd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal fluimen jij zult fluimen hij zal fluimen wij zullen fluimen jullie zullen fluimen zij zullen fluimen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefluimd hebben jij zult gefluimd hebben hij zal gefluimd hebben wij zullen gefluimd hebben jullie zullen gefluimd hebben zij zullen gefluimd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou fluimen jij zou fluimen hij zou fluimen wij zouden fluimen jullie zouden fluimen zij zouden fluimen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefluimd hebben jij zou gefluimd hebben hij zou gefluimd hebben wij zouden gefluimd hebben jullie zouden gefluimd hebben zij zouden gefluimd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fluim
|