NL: florerenSynoniemen: bloeien
DE: blühen, florieren, gedeihen
EN: flourish, prosper, bloom
ES: florecer, prosperar
FR: aller bien, prospérer, réussir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefloreerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik floreer jij floreert hij floreert wij floreren jullie floreren zij floreren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefloreerd jij hebt gefloreerd hij heeft gefloreerd wij hebben gefloreerd jullie hebben gefloreerd zij hebben gefloreerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik floreerde jij floreerde hij floreerde wij floreerden jullie floreerden zij floreerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefloreerd jij had gefloreerd hij had gefloreerd wij hadden gefloreerd jullie hadden gefloreerd zij hadden gefloreerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal floreren jij zult floreren hij zal floreren wij zullen floreren jullie zullen floreren zij zullen floreren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefloreerd hebben jij zult gefloreerd hebben hij zal gefloreerd hebben wij zullen gefloreerd hebben jullie zullen gefloreerd hebben zij zullen gefloreerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou floreren jij zou floreren hij zou floreren wij zouden floreren jullie zouden floreren zij zouden floreren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefloreerd hebben jij zou gefloreerd hebben hij zou gefloreerd hebben wij zouden gefloreerd hebben jullie zouden gefloreerd hebben zij zouden gefloreerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
floreer
|