NL: flirtenSynoniemen: flirten, scharrelen, aan de scharrel zijn
EN: flirt, be on the make, fool around
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geflirt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik flirt jij flirt hij flirt wij flirten jullie flirten zij flirten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geflirt jij hebt geflirt hij heeft geflirt wij hebben geflirt jullie hebben geflirt zij hebben geflirt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik flirtte jij flirtte hij flirtte wij flirtten jullie flirtten zij flirtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geflirt jij had geflirt hij had geflirt wij hadden geflirt jullie hadden geflirt zij hadden geflirt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal flirten jij zult flirten hij zal flirten wij zullen flirten jullie zullen flirten zij zullen flirten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geflirt hebben jij zult geflirt hebben hij zal geflirt hebben wij zullen geflirt hebben jullie zullen geflirt hebben zij zullen geflirt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou flirten jij zou flirten hij zou flirten wij zouden flirten jullie zouden flirten zij zouden flirten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geflirt hebben jij zou geflirt hebben hij zou geflirt hebben wij zouden geflirt hebben jullie zouden geflirt hebben zij zouden geflirt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
flirt
|
DE: flirtenNL: flirten, scharrelen, aan de scharrel zijn
EN: flirt, be on the make, fool around
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geflirtet flirtend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich flirte du flirtest er flirtet wir flirten ihr flirtet sie; Sie flirten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin geflirtet du hast geflirtet er hat geflirtet wir haben geflirtet ihr habt geflirtet sie; Sie haben geflirtet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich flirtete du flirtetest er flirtete wir flirteten ihr flirtetet sie; Sie flirteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war geflirtet du hattest geflirtet er hatte geflirtet wir hatten geflirtet ihr hattet geflirtet sie; Sie hatten geflirtet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde flirten du wirst flirten er wird flirten wir werden flirten ihr werdet flirten sie; Sie werden flirten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geflirtet sein du wirst geflirtet haben er wird geflirtet haben wir werden geflirtet haben ihr werdet geflirtet haben sie; Sie werden geflirtet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich flirte du flirtest er flirte wir flirten ihr flirtet sie; Sie flirten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei geflirtet du habest geflirtet er habe geflirtet wir haben geflirtet ihr habet geflirtet sie; Sie haben geflirtet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich flirtete du flirtetest er flirtete wir flirteten ihr flirtetet sie; Sie flirteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geflirtet ; wäre geflirtet du hättest geflirtet er hätte geflirtet wir hätten geflirtet ihr hättet geflirtet sie; Sie hätten geflirtet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde flirten du würdest flirten er würde flirten wir würden flirten ihr würdet flirten sie; Sie würden flirten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geflirtet sein du würdest geflirtet haben er würde geflirtet haben wir würden geflirtet haben ihr würdet geflirtet haben sie; Sie würden geflirtet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du flirte
|