Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

flirten vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: flirten

NL: flirten
Synoniemen: flirten, scharrelen, aan de scharrel zijn

EN: flirt, be on the make, fool around

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
geflirt
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik flirt
jij flirt
hij flirt
wij flirten
jullie flirten
zij flirten
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb geflirt
jij hebt geflirt
hij heeft geflirt
wij hebben geflirt
jullie hebben geflirt
zij hebben geflirt
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik flirtte
jij flirtte
hij flirtte
wij flirtten
jullie flirtten
zij flirtten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had geflirt
jij had geflirt
hij had geflirt
wij hadden geflirt
jullie hadden geflirt
zij hadden geflirt
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal flirten
jij zult flirten
hij zal flirten
wij zullen flirten
jullie zullen flirten
zij zullen flirten
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal geflirt hebben
jij zult geflirt hebben
hij zal geflirt hebben
wij zullen geflirt hebben
jullie zullen geflirt hebben
zij zullen geflirt hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou flirten
jij zou flirten
hij zou flirten
wij zouden flirten
jullie zouden flirten
zij zouden flirten
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou geflirt hebben
jij zou geflirt hebben
hij zou geflirt hebben
wij zouden geflirt hebben
jullie zouden geflirt hebben
zij zouden geflirt hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
flirt


DE: flirten
NL: flirten, scharrelen, aan de scharrel zijn
EN: flirt, be on the make, fool around
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
geflirtet
flirtend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich flirte
du flirtest
er flirtet
wir flirten
ihr flirtet
sie; Sie flirten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich bin geflirtet
du hast geflirtet
er hat geflirtet
wir haben geflirtet
ihr habt geflirtet
sie; Sie haben geflirtet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich flirtete
du flirtetest
er flirtete
wir flirteten
ihr flirtetet
sie; Sie flirteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich war geflirtet
du hattest geflirtet
er hatte geflirtet
wir hatten geflirtet
ihr hattet geflirtet
sie; Sie hatten geflirtet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde flirten
du wirst flirten
er wird flirten
wir werden flirten
ihr werdet flirten
sie; Sie werden flirten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde geflirtet sein
du wirst geflirtet haben
er wird geflirtet haben
wir werden geflirtet haben
ihr werdet geflirtet haben
sie; Sie werden geflirtet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich flirte
du flirtest
er flirte
wir flirten
ihr flirtet
sie; Sie flirten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich sei geflirtet
du habest geflirtet
er habe geflirtet
wir haben geflirtet
ihr habet geflirtet
sie; Sie haben geflirtet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich flirtete
du flirtetest
er flirtete
wir flirteten
ihr flirtetet
sie; Sie flirteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte geflirtet ; wäre geflirtet
du hättest geflirtet
er hätte geflirtet
wir hätten geflirtet
ihr hättet geflirtet
sie; Sie hätten geflirtet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde flirten
du würdest flirten
er würde flirten
wir würden flirten
ihr würdet flirten
sie; Sie würden flirten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde geflirtet sein
du würdest geflirtet haben
er würde geflirtet haben
wir würden geflirtet haben
ihr würdet geflirtet haben
sie; Sie würden geflirtet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du flirte

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/flirten

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English