NL: flauwvallenSynoniemen: bezwijmen, zwijmen, wegraken
DE: ohnmächtig werden
EN: faint, conk out, swoon, have a fainting fit
ES: desmayarse, perder el conocimiento, desvanecerse
FR: s'évanouir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
flauwgevallen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik val flauw jij valt flauw hij valt flauw wij vallen flauw jullie vallen flauw zij vallen flauw
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb flauwgevallen jij hebt flauwgevallen hij heeft flauwgevallen wij hebben flauwgevallen jullie hebben flauwgevallen zij hebben flauwgevallen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik viel flauw jij viel flauw hij viel flauw wij vielen flauw jullie vielen flauw zij vielen flauw
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had flauwgevallen jij had flauwgevallen hij had flauwgevallen wij hadden flauwgevallen jullie hadden flauwgevallen zij hadden flauwgevallen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal flauwvallen jij zult flauwvallen hij zal flauwvallen wij zullen flauwvallen jullie zullen flauwvallen zij zullen flauwvallen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal flauwgevallen hebben jij zult flauwgevallen hebben hij zal flauwgevallen hebben wij zullen flauwgevallen hebben jullie zullen flauwgevallen hebben zij zullen flauwgevallen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou flauwvallen jij zou flauwvallen hij zou flauwvallen wij zouden flauwvallen jullie zouden flauwvallen zij zouden flauwvallen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou flauwgevallen hebben jij zou flauwgevallen hebben hij zou flauwgevallen hebben wij zouden flauwgevallen hebben jullie zouden flauwgevallen hebben zij zouden flauwgevallen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
val flauw
|