NL: flappenSynoniemen: bankbiljetten
DE: plappern
EN: flap, blab, blunder
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geflapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik flap jij flapt hij flapt wij flappen jullie flappen zij flappen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geflapt jij hebt geflapt hij heeft geflapt wij hebben geflapt jullie hebben geflapt zij hebben geflapt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik flapte jij flapte hij flapte wij flapten jullie flapten zij flapten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geflapt jij had geflapt hij had geflapt wij hadden geflapt jullie hadden geflapt zij hadden geflapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal flappen jij zult flappen hij zal flappen wij zullen flappen jullie zullen flappen zij zullen flappen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geflapt hebben jij zult geflapt hebben hij zal geflapt hebben wij zullen geflapt hebben jullie zullen geflapt hebben zij zullen geflapt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou flappen jij zou flappen hij zou flappen wij zouden flappen jullie zouden flappen zij zouden flappen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geflapt hebben jij zou geflapt hebben hij zou geflapt hebben wij zouden geflapt hebben jullie zouden geflapt hebben zij zouden geflapt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
flap
|