NL: fladderenSynoniemen: flapperen, vliegen, wapperen
DE: fladderen (wapperen): wappern, flattern
EN: fladderen (wapperen): flutter, wave, flap, blow, snap
ES: fladderen (wapperen): revoletear, ondear, revolear
FR: fladderen (wapperen): flotter au vent, voler, voltiger, s'envoler, venter, voleter, faire du vent
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefladderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fladder jij fladdert hij fladdert wij fladderen jullie fladderen zij fladderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefladderd jij hebt gefladderd hij heeft gefladderd wij hebben gefladderd jullie hebben gefladderd zij hebben gefladderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fladderde jij fladderde hij fladderde wij fladderden jullie fladderden zij fladderden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefladderd jij had gefladderd hij had gefladderd wij hadden gefladderd jullie hadden gefladderd zij hadden gefladderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal fladderen jij zult fladderen hij zal fladderen wij zullen fladderen jullie zullen fladderen zij zullen fladderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefladderd hebben jij zult gefladderd hebben hij zal gefladderd hebben wij zullen gefladderd hebben jullie zullen gefladderd hebben zij zullen gefladderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou fladderen jij zou fladderen hij zou fladderen wij zouden fladderen jullie zouden fladderen zij zouden fladderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefladderd hebben jij zou gefladderd hebben hij zou gefladderd hebben wij zouden gefladderd hebben jullie zouden gefladderd hebben zij zouden gefladderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fladder
|