NL: feilenSynoniemen: vijlen
EN: file
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefeild
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik feil jij feilt hij feilt wij feilen jullie feilen zij feilen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefeild jij hebt gefeild hij heeft gefeild wij hebben gefeild jullie hebben gefeild zij hebben gefeild
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik feilde jij feilde hij feilde wij feilden jullie feilden zij feilden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefeild jij had gefeild hij had gefeild wij hadden gefeild jullie hadden gefeild zij hadden gefeild
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal feilen jij zult feilen hij zal feilen wij zullen feilen jullie zullen feilen zij zullen feilen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefeild hebben jij zult gefeild hebben hij zal gefeild hebben wij zullen gefeild hebben jullie zullen gefeild hebben zij zullen gefeild hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou feilen jij zou feilen hij zou feilen wij zouden feilen jullie zouden feilen zij zouden feilen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefeild hebben jij zou gefeild hebben hij zou gefeild hebben wij zouden gefeild hebben jullie zouden gefeild hebben zij zouden gefeild hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
feil
|
DE: feilenNL: vijlen
EN: file
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gefeilt feilend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich feile du feilst er feilt wir feilen ihr feilt sie; Sie feilen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gefeilt du hast gefeilt er hat gefeilt wir haben gefeilt ihr habt gefeilt sie; Sie haben gefeilt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich feilte du feiltest er feilte wir feilten ihr feiltet sie; Sie feilten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gefeilt du hattest gefeilt er hatte gefeilt wir hatten gefeilt ihr hattet gefeilt sie; Sie hatten gefeilt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde feilen du wirst feilen er wird feilen wir werden feilen ihr werdet feilen sie; Sie werden feilen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gefeilt haben du wirst gefeilt haben er wird gefeilt haben wir werden gefeilt haben ihr werdet gefeilt haben sie; Sie werden gefeilt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich feile du feilest er feile wir feilen ihr feilet sie; Sie feilen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gefeilt du habest gefeilt er habe gefeilt wir haben gefeilt ihr habet gefeilt sie; Sie haben gefeilt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich feilte du feiltest er feilte wir feilten ihr feiltet sie; Sie feilten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gefeilt du hättest gefeilt er hätte gefeilt wir hätten gefeilt ihr hättet gefeilt sie; Sie hätten gefeilt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde feilen du würdest feilen er würde feilen wir würden feilen ihr würdet feilen sie; Sie würden feilen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gefeilt haben du würdest gefeilt haben er würde gefeilt haben wir würden gefeilt haben ihr würdet gefeilt haben sie; Sie würden gefeilt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du feile
|