NL: falenSynoniemen: feilen, mislukken, ontbreken, stranden, mislopen, misgaan, floppen, afgaan
DE: falen (mislukken): mißlingen, abgehen, fehlschlagen, schiefgehen, scheitern, mißraten, irren, auffliegen, danebengehen
EN: falen (mislukken): fail, go wrong, meet with disaster, flop, fall flat, lose one's face
ES: falen (mislukken): engañarse, faltar, fracasar, equivocarse, encallar, fallar, estar en un error, perderse, errar, meter la pata, embarrancar, errarse, salir mal, irse al traste, ir mal
FR: falen (mislukken): faillir, échouer, ne pas réussir, être un flop, manquer, périr, se méprendre, rater son coup, commettre une faute, rater, chuter, se tromper, commettre une erreur, rater son effet, s'abîmer
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik faal jij faalt hij faalt wij falen jullie falen zij falen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefaald jij hebt gefaald hij heeft gefaald wij hebben gefaald jullie hebben gefaald zij hebben gefaald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik faalde jij faalde hij faalde wij faalden jullie faalden zij faalden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefaald jij had gefaald hij had gefaald wij hadden gefaald jullie hadden gefaald zij hadden gefaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal falen jij zult falen hij zal falen wij zullen falen jullie zullen falen zij zullen falen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefaald hebben jij zult gefaald hebben hij zal gefaald hebben wij zullen gefaald hebben jullie zullen gefaald hebben zij zullen gefaald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou falen jij zou falen hij zou falen wij zouden falen jullie zouden falen zij zouden falen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefaald hebben jij zou gefaald hebben hij zou gefaald hebben wij zouden gefaald hebben jullie zouden gefaald hebben zij zouden gefaald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
faal
|