NL: fêterenSynoniemen: fuiven
DE: fêteren (feestelijk onthalen): bewirten, feiern, ehren, spendieren, einen ausgeben, festlich bewirten
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gefêteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fêteer jij fêteert hij fêteert wij fêteren jullie fêteren zij fêteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gefêteerd jij hebt gefêteerd hij heeft gefêteerd wij hebben gefêteerd jullie hebben gefêteerd zij hebben gefêteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fêteerde jij fêteerde hij fêteerde wij fêteerden jullie fêteerden zij fêteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gefêteerd jij had gefêteerd hij had gefêteerd wij hadden gefêteerd jullie hadden gefêteerd zij hadden gefêteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal fêteren jij zult fêteren hij zal fêteren wij zullen fêteren jullie zullen fêteren zij zullen fêteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gefêteerd hebben jij zult gefêteerd hebben hij zal gefêteerd hebben wij zullen gefêteerd hebben jullie zullen gefêteerd hebben zij zullen gefêteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou fêteren jij zou fêteren hij zou fêteren wij zouden fêteren jullie zouden fêteren zij zouden fêteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gefêteerd hebben jij zou gefêteerd hebben hij zou gefêteerd hebben wij zouden gefêteerd hebben jullie zouden gefêteerd hebben zij zouden gefêteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fêteer
|