NL: expatriëren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geëxpatrieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik expatrieer jij expatrieert hij expatrieert wij expatriëren jullie expatriëren zij expatriëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geëxpatrieerd jij hebt geëxpatrieerd hij heeft geëxpatrieerd wij hebben geëxpatrieerd jullie hebben geëxpatrieerd zij hebben geëxpatrieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik expatrieerde jij expatrieerde hij expatrieerde wij expatrieerden jullie expatrieerden zij expatrieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geëxpatrieerd jij had geëxpatrieerd hij had geëxpatrieerd wij hadden geëxpatrieerd jullie hadden geëxpatrieerd zij hadden geëxpatrieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal expatriëren jij zult expatriëren hij zal expatriëren wij zullen expatriëren jullie zullen expatriëren zij zullen expatriëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geëxpatrieerd hebben jij zult geëxpatrieerd hebben hij zal geëxpatrieerd hebben wij zullen geëxpatrieerd hebben jullie zullen geëxpatrieerd hebben zij zullen geëxpatrieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou expatriëren jij zou expatriëren hij zou expatriëren wij zouden expatriëren jullie zouden expatriëren zij zouden expatriëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geëxpatrieerd hebben jij zou geëxpatrieerd hebben hij zou geëxpatrieerd hebben wij zouden geëxpatrieerd hebben jullie zouden geëxpatrieerd hebben zij zouden geëxpatrieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
expatrieer
|