NL: evaluerenSynoniemen: beoordelen, keuren
EN: evaluate
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geëvalueerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik evalueer jij evalueert hij evalueert wij evalueren jullie evalueren zij evalueren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geëvalueerd jij hebt geëvalueerd hij heeft geëvalueerd wij hebben geëvalueerd jullie hebben geëvalueerd zij hebben geëvalueerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik evalueerde jij evalueerde hij evalueerde wij evalueerden jullie evalueerden zij evalueerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geëvalueerd jij had geëvalueerd hij had geëvalueerd wij hadden geëvalueerd jullie hadden geëvalueerd zij hadden geëvalueerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal evalueren jij zult evalueren hij zal evalueren wij zullen evalueren jullie zullen evalueren zij zullen evalueren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geëvalueerd hebben jij zult geëvalueerd hebben hij zal geëvalueerd hebben wij zullen geëvalueerd hebben jullie zullen geëvalueerd hebben zij zullen geëvalueerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou evalueren jij zou evalueren hij zou evalueren wij zouden evalueren jullie zouden evalueren zij zouden evalueren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geëvalueerd hebben jij zou geëvalueerd hebben hij zou geëvalueerd hebben wij zouden geëvalueerd hebben jullie zouden geëvalueerd hebben zij zouden geëvalueerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
evalueer
|