NL: evacuerenSynoniemen: leegruimen, onderbrengen, ontruimen, weggaan
DE: evakuieren, ausräumen, entfernen, beseitigen, räumen, wegschaffen, fortschaffen
EN: evacuate
FR: évacuer, écarter, repousser, s'éloigner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geëvacueerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik evacueer jij evacueert hij evacueert wij evacueren jullie evacueren zij evacueren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geëvacueerd jij hebt geëvacueerd hij heeft geëvacueerd wij hebben geëvacueerd jullie hebben geëvacueerd zij hebben geëvacueerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik evacueerde jij evacueerde hij evacueerde wij evacueerden jullie evacueerden zij evacueerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geëvacueerd jij had geëvacueerd hij had geëvacueerd wij hadden geëvacueerd jullie hadden geëvacueerd zij hadden geëvacueerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal evacueren jij zult evacueren hij zal evacueren wij zullen evacueren jullie zullen evacueren zij zullen evacueren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geëvacueerd hebben jij zult geëvacueerd hebben hij zal geëvacueerd hebben wij zullen geëvacueerd hebben jullie zullen geëvacueerd hebben zij zullen geëvacueerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou evacueren jij zou evacueren hij zou evacueren wij zouden evacueren jullie zouden evacueren zij zouden evacueren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geëvacueerd hebben jij zou geëvacueerd hebben hij zou geëvacueerd hebben wij zouden geëvacueerd hebben jullie zouden geëvacueerd hebben zij zouden geëvacueerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
evacueer
|