NL: erbarmenDE: Gnade, Barmherzigkeit, Mitleid, Mitleid, Mitgefühl, Anteilnahme, Teilnahme
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
erbarmd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik erbarm jij erbarmt hij erbarmt wij erbarmen jullie erbarmen zij erbarmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb erbarmd jij hebt erbarmd hij heeft erbarmd wij hebben erbarmd jullie hebben erbarmd zij hebben erbarmd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik erbarmde jij erbarmde hij erbarmde wij erbarmden jullie erbarmden zij erbarmden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had erbarmd jij had erbarmd hij had erbarmd wij hadden erbarmd jullie hadden erbarmd zij hadden erbarmd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal erbarmen jij zult erbarmen hij zal erbarmen wij zullen erbarmen jullie zullen erbarmen zij zullen erbarmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal erbarmd hebben jij zult erbarmd hebben hij zal erbarmd hebben wij zullen erbarmd hebben jullie zullen erbarmd hebben zij zullen erbarmd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou erbarmen jij zou erbarmen hij zou erbarmen wij zouden erbarmen jullie zouden erbarmen zij zouden erbarmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou erbarmd hebben jij zou erbarmd hebben hij zou erbarmd hebben wij zouden erbarmd hebben jullie zouden erbarmd hebben zij zouden erbarmd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
erbarm
|
DE: erbarmenSynoniemen: Gnade, Barmherzigkeit, Mitleid, Mitleid, Mitgefühl, Anteilnahme, Teilnahme
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
erbarmt erbarmend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich erbarme du erbarmst er erbarmt wir erbarmen ihr erbarmt sie; Sie erbarmen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe erbarmt du hast erbarmt er hat erbarmt wir haben erbarmt ihr habt erbarmt sie; Sie haben erbarmt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich erbarmte du erbarmtest er erbarmte wir erbarmten ihr erbarmtet sie; Sie erbarmten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte erbarmt du hattest erbarmt er hatte erbarmt wir hatten erbarmt ihr hattet erbarmt sie; Sie hatten erbarmt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde erbarmen du wirst erbarmen er wird erbarmen wir werden erbarmen ihr werdet erbarmen sie; Sie werden erbarmen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde erbarmt haben du wirst erbarmt haben er wird erbarmt haben wir werden erbarmt haben ihr werdet erbarmt haben sie; Sie werden erbarmt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich erbarme du erbarmest er erbarme wir erbarmen ihr erbarmet sie; Sie erbarmen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe erbarmt du habest erbarmt er habe erbarmt wir haben erbarmt ihr habet erbarmt sie; Sie haben erbarmt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich erbarmte du erbarmtest er erbarmte wir erbarmten ihr erbarmtet sie; Sie erbarmten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte erbarmt du hättest erbarmt er hätte erbarmt wir hätten erbarmt ihr hättet erbarmt sie; Sie hätten erbarmt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde erbarmen du würdest erbarmen er würde erbarmen wir würden erbarmen ihr würdet erbarmen sie; Sie würden erbarmen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde erbarmt haben du würdest erbarmt haben er würde erbarmt haben wir würden erbarmt haben ihr würdet erbarmt haben sie; Sie würden erbarmt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du erbarme
|