NL: emigrerenSynoniemen: uittrekken, uitwijken, landverhuizen
DE: emigrieren, auswandern, übersiedeln
EN: emigrate, leave one's country
ES: emigrar
FR: émigrer, s'expatrier
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geëmigreerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik emigreer jij emigreert hij emigreert wij emigreren jullie emigreren zij emigreren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geëmigreerd jij hebt geëmigreerd hij heeft geëmigreerd wij hebben geëmigreerd jullie hebben geëmigreerd zij hebben geëmigreerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik emigreerde jij emigreerde hij emigreerde wij emigreerden jullie emigreerden zij emigreerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geëmigreerd jij had geëmigreerd hij had geëmigreerd wij hadden geëmigreerd jullie hadden geëmigreerd zij hadden geëmigreerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal emigreren jij zult emigreren hij zal emigreren wij zullen emigreren jullie zullen emigreren zij zullen emigreren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geëmigreerd hebben jij zult geëmigreerd hebben hij zal geëmigreerd hebben wij zullen geëmigreerd hebben jullie zullen geëmigreerd hebben zij zullen geëmigreerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou emigreren jij zou emigreren hij zou emigreren wij zouden emigreren jullie zouden emigreren zij zouden emigreren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geëmigreerd hebben jij zou geëmigreerd hebben hij zou geëmigreerd hebben wij zouden geëmigreerd hebben jullie zouden geëmigreerd hebben zij zouden geëmigreerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
emigreer
|